Huisdieren
Vikingen hadden geen specifieke schuren. Dieren werden gehouden op basis van type en seizoen.
Runderen, schapen, varkens: Omliggende omheiningen nabij boerderijen; in de winter naar langhuizen of schuren gebracht.
Paarden: Stalren of omheinde paddocks.
Pluimvee: Kleine omheinde ruimtes of hokken.
Geiten: Omheinde of beschutte gebieden.
Honden: Binnen in langhuizen of kleine schuilplaatsen.
Methodes varieerden per locatie, welvaart en hulpbronnen. Veestapel was cruciaal voor overleving.