Huisdieren
Dieren moeten voedsel consumeren om energie en nutriënten te verkrijgen die nodig zijn voor groei, onderhoud en voortplanting. Energie levert brandstof voor beweging, verteer en andere lichamelijke processen. Nutriënten worden gebruikt om lichaamsstructuren te bouwen en te repareren en om enzymen en andere essentiële moleculen te produceren.
Voedingsbehoeften variëren tussen diersoorten. Herbivoren eten alleen planten, carnivoren eten alleen andere dieren. Sommige dieren zijn omnivoren en eten zowel planten als dieren.
Dieren hebben diverse aanpassingen ontwikkeld om efficiënt voedsel te verkrijgen. Sommige hebben scherpe tanden en klauwen voor prooi, anderen lange halsen en tongen voor bladwerk. Sommige dieren kunnen voedsel in hun lichaam opslaan om lange periodes zonder eten te overleven.
Dieren voortplanten zich om het voortbestaan van hun soort te waarborgen. Voortplanting omvat productie en bevruchting van geslachtscellen (gameten). Bij veel dieren zijn de geslachten gescheiden (mannetjes en vrouwtjes). Bij sommige zijn ze gecombineerd (hermafrodiet).
Bevruchting kan intern of extern plaatsvinden. Bij interne bevruchting bevrucht het mannelijke gamet (zaadcel) het vrouwelijke gamet (eicel) in het vrouweljike lichaam. Bij externe bevruchting worden zaadcellen en eicellen in de omgeving vrijgegeven.
Dieren groeien en ontwikkelen zich gedurende hun levenscyclus. Groei is toename in grootte, ontwikkeling is toename in complexiteit. Ontwikkeling omvat vorming van nieuwe organen, weefsels en cellen. Groei en ontwikkeling worden gereguleerd door hormonen en andere signaleringsmoleculen.
Groeipatronen verschillen enorm tussen soorten. Sommige dieren groeien snel en bereiken vroeg seksuele rijpheid, anderen groeien langzaam. Sommige ondergaan een dramatische metamorfose van larvale naar volwassen stadium.
Dieren bewegen om voedsel te vinden, schuilplaats te zoeken, roofdieren te ontlopen en partners te vinden. Beweging vereist energie en wordt gefaciliteerd door aanpassingen zoals spieren, pezen, gewichten en skeletten.
Dieren bewegen op diverse manieren: lopen, rennen, vliegen, zwemmen, kruipen, sluipen. Sommige bereiken grote snelheid, anderen bewegen langzaam.
Dieren reageren op de omgeving op diverse manieren: gedragsmatig, fysiologisch en evolutionair. Gedragsmatige reacties zijn veranderingen in gedrag, zoals weglopen van een dreiging of zoeken naar voedsel. Fysiologische reacties zijn veranderingen in de interne omgeving, zoals verhoogde hartslag of bloeddruk. Evolutionaire reacties zijn veranderingen in de genetische samenstelling van een populatie in de loop van de tijd, zoals resistentie tegen bestrijdingsmiddelen of het vermogen een nieuwe voedselbron te benutten.
Dieren reageren op de omgeving om homeostase (stabiele interne omgeving) te handhaven. Homeostase is noodzakelijk voor overleven, en dieren hebben diverse aanpassingen ontwikkeld om het te behouden.