De overgang vond plaats gedurende miljoenen jaren door sleutelaanpassingen:
- Kwastvinnigen: voorgangers met vlezige vinnen die in staat zijn tot beperkte landbeweging.
- Ontwikkeling van longen: overgang van kieuwen naar het ademen van atmosferische zuurstof.
- Skeletaanpassingen: sterkere botten, wervelkolommen en ledematen voor ondersteuning en beweging.
- Amfibieën: eerste gewervelden die land koloniseerden, hoewel nog steeds afhankelijk van water voor voortplanting.
- Reptielen: verdere aanpassingen, inclusief amniotische eieren en waterdichte huid.
- Zoogdieren en vogels: geëvolueerd uit reptielenlijnen met bont, klierklieren, vleugels en veren.
Het proces was geleidelijk en opende enorme mogelijkheden voor terrestrische biodiversiteit.
Met betrekking tot boerderijdieren