Huisdieren
De termen “grazen” en “bladeren” worden vaak door elkaar gebruikt, maar ze verwijzen naar verschillende voedingsgedragingen.
Focus: Graasdieren consumeren voornamelijk grassen en andere kruidachtige planten, die doorgaans laag staan met zachte stengels.
Mondstructuur: Graasdieren hebben brede, platte tanden die zijn aangepast voor het malen van taai plantaardig materiaal.
Voorbeelden: Koeien, schapen, paarden, herten (bij het eten van gras), bizons, zebra's.
Focus: Bladeters consumeren voornamelijk bladeren, twijgen en scheuten van bomen, struiken en houtachtige klimplanten.
Mondstructuur: Bladeters hebben puntige snijtanden voor het knippen van bladeren en kiezen met richels voor het kauwen.
Voorbeelden: Giraffen, geiten, herten (bij het eten van bladeren), elanden, rendieren, konijnen, sommige primaten.
Voedselbron: Graasdieren eten grassen; bladeters eten bladeren en twijgen.
Tanden: Graasdieren hebben platte tanden; bladeters hebben puntige snijtanden en geribbelde kiezen.
Hoogte van voedselopname: Graasdieren eten van de grond; bladeters bereiken hoger.
Sommige dieren kunnen zowel graasdieren als bladeters zijn, afhankelijk van de voedselbeschikbaarheid. De termen zijn niet absoluut, en er is overlap – bijvoorbeeld, een hert kan in het voorjaar grazen op gras en in de winter bladeren eten.