Huisdieren
Otters hebben verschillende aanpassingen voor het jagen in troebel water:
- Snorharen (Vibrissae): Detecteren watertrillingen om prooi te lokaliseren.
- Uitstekend nachtzicht: Grote ogen verzamelen licht in donkere omstandigheden.
- Scherp gehoor: Neemt hoge frequenties op van onderwaterdieren.
- Waterdichte vacht: Houdt lucht vast en isoleert tegen koud water.
- Sterke zwemvaardigheid: Vliezen en gestroomlijnde lichamen maken behendige achtervolging mogelijk.
- Opportunistische jacht: Pas technieken aan op basis van beschikbare prooi.
- Intelligentie en aanpassingsvermogen: Vertrouwen op tast en gehoor wanneer zichtbaarheid laag is.
Deze eigenschappen stellen otters in staat om te gedijen in rivieren, beken, meren en kustgebieden.