Effecten van kleine grabende dieren op grond en rotsen:
- Bodemverluchting: Molvarkens, mulders, grondeekhoorns graven gangen. Lucht circuleert dieper in bodemprofiel → betere verluchting.
- Waterinfiltratie: Gangen laten water sneller door bodem zakken → minder wateroverlast, betere plantengroei.
- Voedingsstofmenging: Dieren transporteren diepere bodemlagen naar oppervlak → nutriënten gemengd door profiel → vruchtbaarder, toegankelijker voor planten.
- Verbeterde wortelpenetratie: Gangen = paden voor wortels dieper in bodel → betere toegang water/voedingsstoffen → groei.
- Verstoring bodemstructuur: Overmatig graven kan losse bodem creëren (erosierisico), maar kan ook drainage verbeteren.
Effecten van regenwormen op grond en rotsen:
- Organische stof incorporatie: Eten afgestorven bladeren/planten/dierlijke afval. Afbraken + inwerken in bodem → structuur/vruchtbaarheid verbeteren.
- Bodemaggregatie: Uitwerpselen (casts) binden bodemdeeltjes → stabiele aggregaten → betere structuur, waterretentie, minder erosie.
- Voedingsstofkringloop: Belangrijk: afbraken organische stof → vrijkomende nutriënten voor planten. Casts bevatten ook nutriënten.
- Verbeterde bodempermeabiliteit: Kanalen/poriën creëren → betere porositeit/drainage → waterbeweging en wortelgroei.
- Zaadverspreiding: Onbedoeld zaden verspreiden tijdens bewegen → plantenverbreiding, biodiversiteit.
Effecten op rotsen zijn beperkt. Activiteiten kunnen kleine fragmenten afbreken/mengen met bodem, maar impact is over het algemeen niet significant.