De kleine blauwe pinguïn (Eudyptula minor), ook wel feeënpinguïn genoemd, heeft verschillende aanpassingen ontwikkeld voor het leven in de oceaan:
- Tegenstroomwarmtewisseling: Gespecialiseerde bloedvaten in vinnen en poten behouden lichaamswarmte in koud water.
- Grootte en zwemmen: Hun kleine, gestroomlijnde lichamen stellen hen in staat efficiënt te zwemmen met snelheden tot 6 km/u.
- Duikvermogen: Ze kunnen tot 60 meter duiken, lage zuurstofniveaus verdragen en automatisch hun neusgaten onder water sluiten.
- Isolatie: Dichte, waterafstotende veren en subcutane vetlaag beschermen tegen kou.
- Zicht: Een helder nictatiemembraan fungeert als een derde ooglid, wat het zicht onder water beschermt en scherpt.
- Sociaal broeden: Monogame paren werken samen om nesten te bouwen, eieren te bebroeden en kuikens groot te brengen.
Deze eigenschappen stellen kleine blauwe pinguïns in staat om te gedijen in hun kustomgevingen.