Huisdieren
1. Botstructuur: Mensen hebben langere, robuustere bovenarm- en onderarmbeenderen. Vleermuizen hebben kortere bovenarmbeenderen en verlengde, slanke onderarmbeenderen voor vliegmanoeuvreerbaarheid.
2. Gewrichten en mobiliteit: Mensen hebben kogelgewrichten bij de schouder, elleboog en pols, wat een grote bewegingsvrijheid mogelijk maakt. Vleermuizen hebben gemodificeerde schouder- en ellebooggewrichten voor het flapperen en inklappen van vleugels.
3. Vinger- en klauwstructuur: Mensen hebben vijf afzonderlijke vingers. Vleermuizen hebben verlengde vingerbeenderen die het vleugelraam vormen, dat een huidmembraan (patagium) ondersteunt. Vleermuizen hebben meestal slechts een kleine klauw aan de duim.
4. Spierbevestigingen en vleugelmembranen: Mensen hebben spieren voor grijpen en objecten manipuleren. Vleermuizen hebben gespecialiseerde vliegspieren, zoals de pectoralis major en supraspinatus, plus elastische banden die vleugelmembranen vormen.
5. Functie: Mensen gebruiken voorpoten om te reiken, grijpen, klimmen en gereedschap te gebruiken. Vleermuizen gebruiken ze voornamelijk voor vliegen en luchtvaartnavigatie.