Lichaamskenmerken
- Slank, uitgezogen lichaam: Laatgemakkelijke navigatie door dense vegetatie en mierennesten.
- Lange, krachtige klauwen: Scherp en sterk, gebruikt om termietenmounds en mierennesten open te scheuren.
- Korte poten: Ondanks hun grootte hebben miereneters relatief korte poten, wat ze minder geschikt maakt voor snel rennen.
- Lange, greepstaart: Gebruikt voor balans tijdens klimmen en om takken om te vlechten.
- Kale of dunbehaarde vacht: Helpt hen door kleine openingen te manouvreren en voorkomt dat insecten in de vacht hangen.
Hoofdkarakteristieken
- Lange, buisvormige snuit: Stelt hen in staat diep in nesten te reiken om prooi te pakken.
- Minutaal, tandloos mondje: Ze hebben geen tanden, maar een klebrige tong die tot 60 cm kan uitsteken om insecten te vangen.
- Kleine, onopvallende ogen: Slecht gezichtsvermogen, maar ze vertrouwen op een scherpe reukzin.
- Scherpe, sterke klauwen op voorpoten: Gebruikt om nesten open te scheuren en te verdedigen tegen roofdieren.
Overige opvallende kenmerken
- Variabele grootte: Van de kleine dwergmiereneter (~12 cm) tot de reuzemiereneter (tot 2 meter lang).
- Eenzaam: Meestal solitair, behalve moeders met jongen.
- Uitstekende klimmers: Sommige soorten, zoals de tweetonige miereneter, doorbrengen veel tijd in bomen.
Deze unieke fysieke kenmerken zijn aanpassingen die miereneters in staat stellen te bloeien als insecteneters.