Levende dingen
- Prooi: Herten, wilde zwijnen, buffels, en soms grotere dieren zoals neushoorns en olifanten.
- Concurrenten: Luipaarden, dholes (wilde honden) en krokodillen.
- Symbiotische soorten: Roofvogels en aaseters zoals gieren.
- Insecten en ongewervelden: Deel van de voedselketen voor kleinere dieren.
- Planten: Bieden voedsel en schuilplaats voor prooi en bieden camouflage voor tijgers.
Niet-levende dingen
- Water: Tijgers hebben vers water nodig voor drinken en afkoeling.
- Bodem: Beïnvloedt vegetatie, die prooi ondersteunt.
- Zonlicht: Geeft energie aan planten, de basis van de voedselketen.
- Rotsen: Bieden natuurlijke schuilplaats.
- Klimaat: Bengaalse tijgers gedijen in tropische en subtropische klimaten.
Onthoud: De specifieke levende en niet-levende dingen variëren afhankelijk van de exacte locatie.