Niet elke hond is geschikt voor zoek- en redding
Veel zoek- en reddingshonden zijn kruisingen, maar niet elke hond is geschikt. Bij selectie moet je drie dingen overwegen. 1) Werkomgeving bepaalt specialisatie. Training duurt >1 jaar → start met pup/jonge hond. 2) Geschikt temperament: agressie tegen mensen/honden = niet geschikt. 3) Belangrijkst: hoge speeldrift en gemakkelijk te trainen.
Wat je nodig hebt
- Pan/steelpot
- Hondensnoepjes
- Hondenspeelgoed
Evaluatiestappen
- Ras, temperament, speeldrift: Bepaal zoektype: luchtgeur (iedereen in gebied), sporgeur (specifieke geur op grond), combinatie. Rampen: gesloten ruimtes, onstabiel ondergrond. Lijkhonden: menselijke resten. Water: in/om water. Lawin: onder sneeuw. Verschillende rassen passen bij verschillende omgevingen. Bijv.: lawinehond = dikke pels. Bloedhonden goed voor sporen, maar dunne pels → niet uren in kou.
- Pup selecteren: Gezonde, nieuwsgierige, vriendelijke pup (mensen + honden). Vraag fokker/redding over gezondheid. Luid op pan slaan → reactie meten. Kleine schrik = ok. Oncontroleerbaar/heftig reageren = niet geschikt. Zoek dominante pup van de nest: duwt anderen weg, neemt speelgoed → beste kans.
- Speeldrift testen: Hond *moet* van nature genieten van bv. bal najagen, tot obsessie. Speelmotivatie = beloning na vinden vermiste persoon. Vraag of pup trucjes geleerd heeft en hoe lang training duurde. Eerste bij voerbak = voedselgemotiveerd. Voedsel- EN speelgemotiveerd = makkelijker te trainen, meer succes als zoekhond.
Selectie is wetenschappelijk onderbouwd. Investeer tijd in de juiste pup – het scheelt jaren training.