Huisdieren
Het idee om dieren te klonen dateert uit de 19e eeuw. In 1885 kloneerde Hans Driesch een zee-egel door twee cellen van een vroeg embryo te scheiden, wat aantoonde dat een nieuw individu uit een enkele cel kon ontwikkelen. In 1902 stelden Walter Sutton en Theodor Boveri de chromosomale erfelijkheentheorie voor, wat een theoretische basis voor klonen opleverde.
In 1996 kloneerden Ian Wilmut en zijn team Dolly, een vrouwtje schaap, met behulp van somatische celkernoverdracht (SCNT). Deze techniek overdraagt de kern van een somatische cel naar een ontkernde eicel, die vervolgens in een draagmoeder wordt geïmplanteerd. Dolly's geboorte was een grote doorbraak, hoewel klonen complex en inefficiënt blijft.
Het klonen van mensen is ethisch omstreden. Sommigen steunen het voor onderzoek, terwijl anderen het moreel verkeerd vinden. De meeste landen, waaronder de Verenigde Staten, hebben momenteel een moraat op het klonen van mensen.
Klonen wordt gebruikt om genetische ziekten te bestuderen, medicijnen te testen, behandelingen te ontwikkelen en genetisch gemodificeerde dieren voor onderzoek te creëren. De potentiële voordelen zijn aanzienlijk, maar ethische bezwaren moeten zorgvuldig worden overwogen.