Huisdieren
De Aquatische Aap-hypothese (AAH) is een controversiële theorie die suggereert dat menselijke voorouders een significante periode in of nabij het water hebben doorgebracht tijdens de evolutie. Voorstanders beweren dat deze aquatische fase leidde tot verschillende uniek menselijke eigenschappen.
* Bipedalisme: Rechtop lopen is misschien efficiënter in ondiep water dan op alle vieren bewegen.
* Haarloosheid: Het verliezen van lichaamshaar kan de weerstand tijdens het zwemmen hebben verminderd.
* Subcutaan vet: Vet onder de huid kan hebben geholpen bij drijfvermogen en isolatie.
* Grotere hersenen: Het navigeren in aquatische omgevingen kan cognitieve eisen hebben gesteld die de hersenontwikkeling hebben aangemoedigd.
* Adem inhouden: Het vermogen om relatief lang de adem in te houden kan een aanpassing aan duiken zijn.
Voorstanders wijzen op anatomische gelijkenissen met aquatische zoogdieren, fysiologische eigenschappen zoals de duikreflex, en bepaalde fossiele interpretaties. Critici beweren dat er geen sterk direct fossiel bewijs is, dat andere evolutiedrukken deze eigenschappen verklaren, en dat vergelijkbare primaten dezelfde aanpassingen niet hebben ontwikkeld.
De AAH wordt door de mainstream wetenschap algemeen beschouwd als gediskrediteerd, hoewel sommige onderzoekers nog steeds debatteren of water enige rol heeft gespeeld in de menselijke evolutie. Het blijft een hypothese, geen bewezen theorie, en moet kritisch worden benaderd.