Een simpel dier, of simpele organisme, wordt gedefinieerd door een basale en relatief eenvoudige lichaamsstructuur, organisatie en werking. In vergelijking met complexe dieren hebben simpele dieren doorgaans minder gespecialiseerde cellen, weefsels en organen, samen met minder ingewikkelde gedragingen en ecologische interacties.
Belangrijke kenmerken zijn:
- Lichaamsstructuur: eencellig of eenvoudig meercellig plan zonder complexe weefselorganisatie.
- Celcomplexiteit: minder gespecialiseerde cellen die beperkte functies vervullen.
- Grootte: vaak microscopisch of klein, variërend van protozoa tot sponzen en kwallen.
- Symmetrie: basale radiale of bilaterale symmetrie, zonder complexe lichaamsdelen.
- Gedrag en zintuigen: beperkte reacties op basale omgevingsprikkels.
- Voedselverwerving: eenvoudige mechanismen zoals filtervoeding of prooidieren omsluiten.
- Voortplanting: vaak aseksueel via binaire deling of knopping, met enige eenvoudige seksuele voortplanting.
- Leefgebied: aangetroffen in aquatische en terrestrische omgevingen met diverse verspreidingen.
Voorbeelden zijn amoeba, paramecium, hydra, planaria, zeesponzen en kwallen. Simpele dieren dragen bij aan voedingsstoffencyclus, dienen als voedselbron en kunnen de milieugezondheid aanduiden.