Huisdieren
Er zijn twee "kern"vaccinaties die katten tijdens hun leven moeten ontvangen. De American Association of Feline Practitioners definieert vaccinaties als "kern"vaccins, "niet-kern"vaccins en "niet algemeen aanbevolen".
De eerste kernvaccinatie die alle katten moeten krijgen is het Panleukopenie Virus (FPV)/Feliene Herpesvirus-1 en Feliene Calicivirus (FHV-1/FCV). Dit kan beginnen vanaf zes weken oud, en elke drie tot vier weken herhaald worden tot de kat zestien weken oud is. Voor katten die de reeks na zestien weken beginnen, moeten twee doses worden gegeven, drie tot vier weken uit elkaar. Een enkele dose wordt gegeven één jaar na de laatste dose van de initiële reeks, daarna niet vaker dan eens in de drie jaar.
De rabiesvaccinatie kan wettelijk vereist zijn, afhankelijk van je staat of gemeente. Dierenartsen moeten de toepasselijke wetten voor hun regio volgen. Voor katten ouder dan zestien weken bestaat de initiële reeks uit twee doses vaccin met twaalf maanden ertussen. Een jaarlijkse herhaling is vereist, hoewel in sommige staten de dierenarts er eens in de drie jaar mag geven.
Niet-kern vaccins worden meestal alleen toegediend aan katten in hoogrisico-gebieden of katten die blootgesteld zijn aan de ziekte. Dit is vaak het geval in huishoudens met meerdere dieren, asiels, pensions of fokkerijen. Een van de niet-kern vaccinaties is voor het feliene leukemie virus en kan worden aanbevolen als je een FeLV-geïnfecteerde kat hebt die samenleeft met katten van onbekende FeLV-status of waar regelmatig nieuwe katten worden geïntroduceerd.
Dit zijn vaccins waar onvoldoende studies beschikbaar zijn om de rol van het vaccin in ziektepreventie te ondersteunen.
Voor volwassen katten die vaccinaties ontvangen blijft het risico op vaccinatieplaats-sarcroom (kanker op de injectieplaats) bestaan. Je dierenarts zal bepalen of de risico's van het vaccin opwegen tegen de potentiële voordelen voor de kat.