Brossterren, of ophiuroïden, hebben verschillende aanpassingen aan het mariene leven ontwikkeld:
- Vijfarmige radialiteit: Een centrale schijf met flexibele armen maakt efficiënte beweging over verschillende oppervlakken mogelijk.
- Regeneratie en autotomie: Ze kunnen verloren armen laten teruggroeien en zichzelf amputeren om aan predatoren te ontsnappen.
- Snelle beweging: Buisvoetjes met zuigschijven zorgen voor snelle locomotie en klimmogelijkheden.
- Bescherming en camouflage: Kleurveranderingen, stekels en schubben helpen ze onopgemerkt te blijven.
- Voedingsaanpassingen: Flexibele armen vangen kleine organismen en detritus uit spleten.
- Mutualisme en symbiose: Sommige soorten associëren met sponzen of algen voor onderdak en voedsel.
- Zintuiglijke organen: Oogvlekken en lichtgevoelige cellen detecteren omgevingsbedreigingen.
Deze eigenschappen dragen bij aan hun succes en veerkracht in diverse mariene habitats.