Huisdieren
Wanneer een vis sterft, begint zijn lichaam bijna onmiddellijk af te breken. De resulterende stank wordt niet veroorzaakt door één enkele factor, maar door een combinatie van biologische processen en omgevingsomstandigheden.
Vissen bevatten van nature trimethylamine en verwante stoffen. Na de dood beginnen bacteriën deze stoffen af te breken, waarbij ze ze omzetten in trimethylamineoxide en andere bijproducten die een sterke, onmiskenbare visgeur vrijgeven.
Spijsverteringsenzymen die ooit hielpen bij het verwerken van voedsel blijven actief in de weefsels na de dood. Deze enzymen breken eiwitten en vetten af, waarbij stoffen met onaangename geuren vrijkomen. Tegelijkertijd koloniseren omgevingsbacteriën het kadaver, voeden zich met vlees en versnellen de productie van nare geuren.
Warme, vochtige omstandigheden op een dode vis creëren een ideale broedplaats voor bederfbacteriën. Terwijl ze de weefsels van de vis consumeren, genereren ze stinkend metabolisch afval dat de stank versterkt.
Decomponerende eiwitten splitsen op in peptiden en aminozuren, waarvan veel scherpe, onaangename aroma's hebben. Zwavelhoudende verbindingen, zoals waterstofsulfide, worden ook vrijgezet tijdens de decompositie, wat een bedorven-ei-noot toevoegt aan de algehele geur.
Omgevingsomstandigheden spelen een grote rol. Warm, vochtig weer versnelt bacteriegroei en decompositie, waardoor de geur intenser en sneller ontstaat. Koelere of drogere omstandigheden vertragen het proces, maar stoppen het niet volledig.
Samen creëren deze chemische en biologische factoren de krachtige, aanhoudende geur die vaak wordt geassocieerd met dode vissen.