Huisdieren
Beide kruipen uit eieren. Deel van leven in water als kuiltjes (kieuwen). Daarna longen → landleven. Beide gewerveld (ruggegraat).
Padden: droger, wratachtig vel. Kikkers: natter, gladde, slijmerige vel.
Kikkers: lange achterpoten, springen. Padden: kortere poten, lopen. Padden: gifklieren achter ogen (parotoïden). Kikkers: tanden in bovenkaak; padden geen tanden. Kikperoog bolster meer.
Beide in water, maar kikker: klonters (bessen), pad: ketentjes (kralen in jelly).
Padden verdragen droogte beter. Kikkers nodig vocht, meestal nabij water. Koude klimaten: kikkers graven in modder en hiverneren.
Beide: insecten met tong. Kikkers eten ook kleine vissen/wormen. Padden soms kleine dieren.
Samenvattend: Kikker = water, springen, glad, tanden. Pad = land, lopen, wratjes, geen tanden, gifklieren.