Zoutwater- en zoetwaterdieren verschillen voornamelijk vanwege hun omgevingen.
Zoutgehalte
- Zoutwaterdieren: Hoge-zout omgevingen zoals oceanen.
- Zoetwaterdieren: Lage-zout omgevingen zoals rivieren en meren.
Osmoregulatie
- Zoutwaterdieren: Verliezen water aan de omgeving; drinken zeewater en scheiden overtollig zout uit.
- Zoetwaterdieren: Krijgen water uit de omgeving; scheiden overtollig water uit en absorberen zouten.
Fysiologische aanpassingen
- Zoutwater: Zoutklieren; lichaamsvloeistoffen isotonic of licht hypertone.
- Zoetwater: Hoge urinevolume; zoutabsorptie via kieuwen; lichaamsvloeistoffen hypotone.
Voorbeelden
- Zoutwater: Tonijn, haaien, dolfijnen, krabben, kwallen, zeesterren.
- Zoetwater: Forel, baars, meerval, kikkers, salamanders, kreeften, slakken.
Interessante noot: Sommige dieren, zoals zalm, kunnen in beide leven door fysiologische veranderingen tijdens migratie te ondergaan.
Samenvatting: Verschillen worden gedreven door de behoefte om interne stabiliteit te handhaven ondanks variërend zoutgehalte, wat leidt aanpassingen in osmoregulatie en fysiologie.