Huisdieren
Er bestaan bijna 1.000.000 diersoorten op aarde. De betekenis van het woord "dier" komt van het Latijnse "anima" voor "met ziel". Het dierenrijk omvat wezens zo klein als insecten en zo groot als olifanten. Alle leden van het oude dierenrijk delen gemeenschappelijke kenmerken die hen onderscheiden van andere levensvormen.
Een dier heeft miljoenen cellen in zijn lichaam, en elke cel voert een andere functie uit die essentieel is voor het leven. Een rode bloedcel die zuurstof transporteert, verschilt van een reproductieve cel. Dieren die met het blote oog zichtbaar zijn, zijn veelcellig. Dierenleven ontwikkelde zich vanuit eencellige organismen 2.000.000.000 jaar geleden.
Diercellen hebben geen celwanden, maar een membraan die de complexe kern omringt. Deze bevat al het genetische materiaal en DNA. Eukaryotisch is een Griekse term die "goede noot of kern" betekent. Dieren ademen zuurstof in en kooldioxide uit.
Alle dieren moeten overleven door hun voedselbron te consumeren, levend of dood, van levensvormen zoals andere dieren, planten of beide. Dieren verteeren en metaboliseren hun voedsel tot energie en afvalstoffen. Beren bewaren voedsel als vetlagen voor maandenlange winterrust.
Volwassen dieren voortplanten zich seksueel met een partner van dezelfde soort. Sommige soorten hebben één partner voor het leven, zoals de olifant. Andere soorten zoals leeuwen of tijgers paren met meerdere partners om hun genen door te geven. Sommige diersoorten kunnen zich aseksueel voortplanten, zonder paring.
Dieren bewegen van plaats tot plaats om verschillende redenen: om schuil te gaan voor weer of vijanden, om voedsel te zoeken of voor paring. Dieren bewegen zich hun hele leven lang, maar naarmate ze ouder worden, vertraagt of stopt hun beweging naarmate ze zich aanpassen aan hun omgeving tot ze sterven.